135 recepten
Elk recept in huis, nieuwste eerst. Filter op hoofdstuk, of dwaal over de hele wand.
Holland
Het Nederlandse winkelstraat-broodje shoarma — gekruid vlees in een zacht Turks platbrood met knapperige salade, koele knoflooksaus en zoveel sambal als je aankunt.
Koudgerookte zalm op geroosterd zuurdesem met citroen-dilleroom, kappertjes en kerssla — een licht, modern Nederlands bordje voor de lunch of de borreltafel.
De deftige oudste van de Nederlandse kroket — een fijne kalfsragout met een vleugje nootmuskaat, gepaneerd en bleekgoud gefrituurd, het terrashapje bij mosterd.
De Oost in Huis
Kip gesmoord in ketjap met knoflook, gember en ui tot donker en kleverig — het makkelijke Indisch-Nederlandse doordeweekse gerecht dat ketjap manis tot vaste waarde in de Nederlandse voorraadkast maakte.
Een moderne Nederlandse herfstsoep — pompoen geroosterd tot karamel, dan glad gepureerd met gember en bouillon en afgemaakt met geroosterde pitten en room.
De fundamentele Nederlandse stoof — dikke runderlappen aangebraden in boter en urenlang gesudderd in een donkere, met mosterd aangescherpte jus tot boterzacht. Zondagskost.
Het Oosten
De donkere, bitterzoete bietenstroop van de Nederlandse voorraadkast — ingekookt uit suikerbieten, op roggebrood en door stoofpotten, en een redding in de oorlog.
Romige Nederlandse kwark met lagen geroosterde muesli, honing en fruit — het frisse, eiwitrijke ontbijtbakje van het moderne Nederland.
Een rokerige Noordzeeborreldip — vlokken gerookte makreel gemengd met crème fraîche, citroen, mierikswortel en dille, gesmeerd op roggetoast of gedoopt met rauwkost.
Hardgekookte eieren krokant gebakken en omhuld met een vurige Minangkabause rodepepersambal — een fel, pittig bijgerecht dat de Indische rijsttafel opfleurt.
Het volgeladen bakje van Rotterdam — friet met shoarma en gesmolten Goudse, gegratineerd, dan opgestapeld met verse salade, knoflook- en hete saus. Een straatvoedsellegende uit de jaren 2000.
Het dichte rogge-en-honingkruidenbrood dat de Nederlanders bij het ontbijt eten — zonder boter of ei, diep vochtig, dik gesneden en besmeerd met koude boter of niets.
De Nederlandse bruinebonenpot — gedroogde bruine bonen langzaam gesmoord met gerookt spek en ui, zoetzuur afgemaakt met stroop en azijn. Diep winters zuinigheidseten.
Een zeldzame zomerstamppot van sappige postelein door de aardappel — citroenig, licht zilt en groen, een oud moestuingerecht van voor spinazie de dienst uitmaakte.
Een zachte Javaanse groentestoof in een gekruide kokosbouillon — het milde, troostende gerecht dat het vuur van de Indisch-Nederlandse rijsttafel in balans brengt.
De "zure bommen" van de snackbar — grote hele komkommers gepekeld met dille, knoflook en mosterdzaad tot knapperig en scherp, de klassieke hap bij gefrituurde Nederlandse snacks.
Zeeland
Verse paling zacht gepocheerd in een felgroene saus van voorjaarskruiden — kervel, zuring, peterselie en spinazie — een riviergerecht uit het Scheldeland.
Het kleverige spiraalbroodje van Zeeland — een streng zacht deeg gerold door kaneelsuiker en opgewonden tot een spiraal die tot een donkere, gekarameliseerde, taaie krul bakt.
Groningen
Een dieprode Nederlandse bietensoep — aardse bieten gestoofd met appel en bouillon, afgemaakt met een swirl zure room en een regen van dille.
Friesland
Frisse karnemelk gebonden met wat bloem en parelgort, gezoet met stroop — de huiselijke alledaagse pap van de Friese zuivelboerderijen.
Noord-Brabant
De eenvoudige Brabantse boerenpot — sperzie- of snijbonen langzaam gestoofd met gerookt spek en aardappel tot zacht en hartig. Zuinige kost, nog altijd geliefd.
Het lange, met vruchten volgepakte krentenbrood van het Nederlandse noorden — verrijkt deeg vol geweekte krenten en rozijnen, ooit meterslang naar de kraamvrouw gebracht.
Zachte Nederlandse leverworst op dicht donker roggebrood — een borrelklassieker van de slagerstoonbank met mosterd, augurk of een streep appelstroop, dik gesneden en eenvoudig.
Rundvlees langzaam gesmoord in ketjap manis met nootmuskaat, kruidnagel en ui tot donker en mals — de Indonesische zoete-sojastoof die de tweerichtingshandel van de Indisch-Nederlandse keuken toont.
De reuzensoes van Brabant — een tennisbal van soesjesdeeg gevuld met nauwelijks gezoete slagroom en in zijn geheel gedompeld in dikke, pure chocola.
Een stamppot van koolraap en aardappel uit het kleiige noorden — aards en licht zoet, een knol die de harde herinnering aan de Hongerwinter van 1944 stil meedraagt.
Haringfilets geweekt in een zoetzure azijnmarinade met ui, laurier en peperkorrels — de bewaarharing van de Nederlandse voorraadkast, scherp en helder.
De grote Nederlandse gehaktbal — één vuistgrote bal per persoon, aangebraden in boter en gesmoord in zijn eigen donkere jus. Het woensdagavondhart van de tafel.
De huiselijke Nederlandse prei-aardappelsoep — zoet gesmoorde prei en kruimige aardappelen in bouillon, glad gepureerd of grof gelaten, met gerookt spek.
Een Nederlands kaasplankje rond oude Gouda en Leidse komijnenkaas — hoe je de kazen van het land kiest, opwarmt en opdient met mosterd, stroop en rogge voor de borrel.
Het saucijzenbroodje van de bakkerstoonbank — gekruid gehakt in knapperig, botrig bladerdeeg, geglazuurd en gebakken tot brekend goud. Warm uit de oven op zijn best.
Een geurige gouden kippensoep met kurkuma, citroengras en gember, opgestapeld met noedels, ei en taugé — de Indonesische troostkom die geliefd is op de Indisch-Nederlandse tafel.
De aloude mageremelkkaas van Friesland doorspekt met kruidnagel en komijn — donker, droog en aromatisch, het meest bezongen wiel van het noordelijke zuivelland.
Gelderland
De knapperige ovale koekjes van Gelderland — dunne plakjes gegist bladerdeeg, door grove suiker gerold die karamelliseert tot een breekbare, glasachtige korst.
Een dampende pan Zeeuwse mosselen met een berg dubbelgebakken Belgische friet en mayonaise — het grote gedeelde avondmaal van de Lage Landen.
"Blinde vinken" — dunne kalfslapjes gerold rond een gekruide gehaktvulling, aangebraden in boter en zacht gesmoord in hun eigen jus. Een Nederlandse zondagklassieker.
De platte feestkoek van Friesland — een stevige amandel-en-speculaasbodem onder een fel laagje glazuur, gember en glacékersen, in royale vierkanten gesneden.
Een Noordzeevissoep — een bouillon getrokken uit graten en schalen, dan stukken witvis en garnalen gepocheerd in een lichte, saffraan- en tomaatgetinte bouillon.
Limburg
De Limburgse omgang met zuurkool — door aardappel gestampt met een hele lap doorregen spek erbovenop gesudderd en een draad donkere Limburgse stroop om hem te verzachten.
Een felgele kurkumapickle van knapperige groente in een zoetzure pekel — de Indonesische acar die de rijkdom van de Indisch-Nederlandse rijsttafel doorbreekt.
Kleine gekruide Nederlandse gehaktballetjes voor de borrel — sappig gehakt gebonden met beschuit en nootmuskaat, aangebraden en warm geserveerd op prikkers met mosterd.
Het geliefde worstenbroodje van Brabant — gekruid gehakt gewikkeld in zacht, verrijkt brooddeeg en goudbruin gebakken. De hartige trots van het katholieke zuiden.
Een stevige, magere koemelkkaas bezaaid met komijnzaad — de gekruide waagkaas van Leiden, geperst met het gekruiste-sleutelsmerk van de stad.
Hele makreel gepekeld en heet gerookt tot een gebrand goud, het vette vlees stevig en hartig geworden — gegeten als vlokken op roggebrood of geklopt tot een paté.
De bleke, elegante Nederlandse kalfsragout — mals kalfsvlees in een citroenfrisse roomsaus, de vulling van pasteitjes en de voorouder van de bitterbal.
Frieslands hoge, rijke brood doorspekt met parels suiker die smelten tot zoete karamelholtes — dik gesneden, met boter, geserveerd bij de koffie.
De mosselsoep van Zeeland — mollige Zeeuwse mosselen open gestoomd, hun zilte vocht gezeefd in een bouillon van prei en room, afgemaakt met peterselie en mosselvlees.
De "berenhap" — een snackbarspies van gebakken gehaktbal en rauwe ui, overgoten met satésaus, de Nederlandse pindasaus, en zo van de stok gegeten.
De bleke, kussenzachte Nederlandse eierkoek — een magere biscuitronde, zacht als een wolk, plein of met boter gegeten bij de ochtendkoffie. Licht, mild en troostend.
Geraspte kokos langzaam geroosterd met een kruidenpasta tot goudbruin en knapperig — het geurige Indonesische bijgerecht dat over rijst en saté wordt gestrooid op de Indisch-Nederlandse tafel.
De volledige zondagse versie — grove stamppot van wortel, ui en aardappel bekroond met klapstuk, runderrib urenlang gesmoord tot het uit elkaar valt in eigen donkere jus.
De noordelijke vruchtenbrij van gerst, krenten en bessensap gebonden tot een glanzende gelei — de geliefde koude-of-warme brij van Groningen en Drenthe.
Kleine Noordzeegarnalen, met de hand gepeld en zoet en zilt geserveerd op geboterd brood of gebonden tot een klassieke garnalencocktail.
De grote open vruchtenvlaai van het katholieke zuiden — een bodem van zacht gistdeeg gevuld met kersen of abrikozen en afgewerkt met een gevlochten roosterlaag.
Het Nederlandse jachtgerecht — gesmoord rundvlees gelaagd met ui en appel onder een deksel van aardappelpuree, goudbruin gebakken. Restjescomfort op zijn best.
Het Nederlandse geboorteritueel op een bord — knapperige ronde beschuit, beboterd en volgeschept met gesuikerde anijsmuisjes in roze of blauw om een pasgeborene aan te kondigen.
Knapperig gefrituurde loempia's vol kool, taugé en varkensvlees — de Chinees-Indonesische snack die een vaste waarde werd op de Nederlandse markt en in de snackbar.
Kleine "vlammetjes" — knapperige mini-loempia's met een vurige, met sambal gekruide vulling, een Chinees-Indische snackbarfavoriet met zoete chili voor bij de borrel.
Een voorjaarse groene stamppot van geslonken spinazie door boterige aardappel, opgetild met nootmuskaat en vaak een hardgekookt ei — lichter en frisser dan de winterstamppotten.
De feestelijke Nederlandse gebaksstaaf — een lap bladerdeeg gerold rond dichte amandelspijs, bestreken en in plakken gesneden voor de Sinterklaas- en kersttafel.
Een koude brij op waterbasis van parelgort en gedroogd fruit, gebonden en gekruid — de vastendagse Nederlandse gruwel die aan de melkpudding voorafging.
Een fluweelzachte Limburgse soep van witte asperge — de schillen tot een zoete bouillon getrokken, dan een lichte roomvelouté met malse aspergepunten en nootmuskaat.
Een hele gefrituurde filet witvis in een dik knapperig beslag, goudbruin — de grotere neef van kibbeling waar je voor gaat zitten, van de Nederlandse viskraam.
Het Nederlandse wintergerecht — rode kool langzaam gesmoord met appel, kruidnagel en een scheut azijn tot zoet, zurig en glanzend, de klassieke partner van hachee.
De Nederlandse broodjeklassieker — gekruid rauw rundvlees glad geklopt met eierdooier, kappertjes en mosterd tot een zachte, smeerbare tartaar voor rogge, bolletjes en de borrel.
Rijpe banaan in een krokant beslag, goudbruin gefrituurd en heet gegeten — de Indonesische zoete snack die een geliefd slot van de Indisch-Nederlandse maaltijd werd.
Het dichte, donkere roggebrood van het Nederlandse oosten — hele roggekorrels urenlang gestoomd tot een vochtig, bijna zwart brood dat dun snijdt en weken goed blijft.
De kleine gekruide brokjes die met handenvol worden gestrooid met Sinterklaas — knapperige kruidnoten en de taaiere echte pepernoten, beide op speculaaskruiden.
Puddingrijst langzaam gesmoord in volle melk tot dik en romig, warm geserveerd met bruine suiker en kaneel — de oudste Nederlandse troost in een kom.
Gedroogde, geweekte stokvis zachtjes gepocheerd en geserveerd met aardappelen, rijst, mosterdsaus en gebakken uitjes — een oud Amsterdams feestgerecht.
De snelle naoorlogse favoriet — koele rauwe andijvie door hete stamppot zodat hij half slinkt, met behoud van bite en beet, met spek en een gesmolten boterkuil.
Nederlandse uiensoep — uien traag en donker ingekookt, gesudderd in runderbouillon en afgetopt met geroosterd brood en gesmolten Goudse of Leidse kaas.
Dieprode Nederlandse stoofperen — harde stoofpeertjes langzaam gesudderd met wijn, kaneel en kruidnagel tot wijndonker en mals, warm bij wild of vlees.
Zachte Nederlandse ontbijtbolletjes bezaaid met krenten en rozijnen — verrijkt deeg gebakken tot een glanzende koepel, warm doorgesneden en dik met boter besmeerd.
De licht gerookte rauwe rundworst van Amsterdam, gekruid met kruidnagel, foelie en peper in VOC-stijl — zacht op roggebrood gesneden als borrelhapje van de slager.
De vele-lagige kruidencake laag voor laag onder de grill gebakken — een Indisch-Nederlands pronkstuk rijk aan boter, eidooier, kaneel en kruidnagel, gestreept als spek.
Eén platte ronde van pure boter, suiker en bloem — dicht, taai en diep goudbruin, gebarsten aan de top en nauwelijks gestold in het midden. Fries van hart.
Een feestelijke Nederlandse gelatinepudding van slagroom, lange vingers, gekonfijt fruit en likeur, in een vorm gestort — de grote tafelpudding van de oude kookboeken.
Een verfijnde Nederlandse kippenroomsoep — koninginnesoep, een fluweelzachte kippenvelouté verrijkt met eidooier, room en een scheutje sherry.
Een dikke kabeljauwfilet door de bloem en in boter gebakken tot goudbruin en net gaar, afgemaakt met citroen en peterselie — het simpele, perfecte Nederlandse vismaal.
De sobere, geduldige Nederlandse doordeweekse stoof — plakken rundvlees die mogen sudderen op het laagste vuur, tot mals in een simpele donkere jus.
Knapperig gebraden varkensvlees met een zoetzure rode saus en ingelegde groente — de Chinees-Indische restaurantklassieker die een vaste waarde in de Nederlandse afhaalcultuur werd.
De trotse snackbarrariteit van Groningen — een heel gekookt ei omhuld met hartige ragout, gepaneerd en gefrituurd, opengebroken en gegeten met mosterd of piccalilly.
De hartige Nederlandse pannenkoek — gerookt spek in het beslag gebakken tot knapperig, de hele bordgrote koek gegeten met een sliert donkere stroop over het zout.
Een zoete, zonsondergangoranje stamppot van wortel en aardappel, doorregen met knapperige spek en ui — zachter en zoeter dan hutspot, een eenvoudige wintertroost.
Het Nederlandse gebakje dat onmogelijk met waardigheid te eten is — twee lagen bladerdeeg, een dikke plak banketbakkersroom en een deksel van glanzend roze fondant.
Platte en creuse oesters gekweekt op de getijdenplaten van de Oosterschelde, geopend en rauw geserveerd op ijs met citroen, sjalottenazijn en roggebrood.
Schenkbare Nederlandse vla op smaak gebracht met hopjes — het gebrande koffie-karamelsnoepje uit Den Haag — een volwassen vla, de kleur van sterke thee.
De Nederlandse kippensoep die je maakt als iemand ziek is — een heldere zelfgetrokken bouillon met plukjes kip, vermicelli, prei en wat peterselie.
Een Limburgse smoor van konijn in een zoetzure jus — gemarineerd in azijn, zacht gestoofd, en gebonden met ontbijtkoek en appelstroop als zijn zuurvleesneef.
De fijnste kroket van Zeeland — zoete Noordzeegarnalen gebonden in een delicate bisqueragout, gepaneerd en gefrituurd, geserveerd met citroen en gefrituurde peterselie.
De wijde, dunne Nederlandse pannenkoek die een heel bord vult — soepel, met kanten randen, zoet met stroop of hartig met spek en kaas. Een maaltijd, geen stapel.
Sperziebonen gesmoord in een sambal van chili en kokos tot glanzend en geurig — het kleine bijgerecht dat op vrijwel elke Indisch-Nederlandse rijsttafel opduikt.
De klassieker uit de bakkersetalage — een dikke ronde van boterig deeg volgepakt met amandelspijs, geglazuurd met ei en bekroond met één geblancheerde amandel.
Een Brabantse stamppot van aardappel met zoete en zure appels, deels hartig, deels fruit, aangescherpt met spek en een waarschuwing om te blazen voor je eet.
De Nederlandse tomatensoep van vroeger — een gladde, licht zoete tomatenbouillon met kleine balletjes en vermicelli, de lunchklassieker naar behoren gemaakt.
Mollige Zeeuwse mosselen open gestoomd in een pan met prei, selderij, ui en witte wijn — het herfstritueel van het Nederlandse zuidwesten.
Een uit de vorm gestorte griesmeelpudding van melk, bleek en trillend, overgoten met zure rode bessensap — het zuinige Nederlandse toetje dat de soberheid overleefde.
De oude Nederlandse wildstoof — haas gemarineerd in rode wijn en azijn, dan donker gesmoord en gebonden met eigen bloed of een lepel ontbijtkoek.
De Indonesische samengestelde salade van geblancheerde groenten, ei en tofu onder een warme pindasaus — een frisse, gulle schotel die een blijvende plek op de Indisch-Nederlandse tafel vond.
Knapperige, hartige kaasstengels van boterig deeg en belegen Goudse — het nette borrelhapje dat wordt rondgedeeld bij een koud glas, schoon brekend en zo op.
De Nederlandse omgang met oud brood — plakken geweekt in gekruid ei en melk, goudbruin gebakken in boter en bestrooid met kaneelsuiker. Zuinigheid als ontbijt.
De diepbruine gekruide koekjes in gesneden houten vormen gedrukt voor Sinterklaas — dicht van speculaaskruiden, knappend krokant, geurend naar de VOC.
Gekookte andijvie door romige aardappelpuree geschept — een zachte, licht bittere groene stamppot, afgemaakt met knapperig spek en een klont smeltende boter.
Zoetwaterpaling heet gerookt tot brons, het vet zijdezacht gesmolten en het vlees rijk en hartig — de grote delicatesse van de Nederlandse binnenwateren.
De romige mosterdsoep van Groningen — een lichte roux aangelengd met bouillon en room, aangescherpt met grove mosterd en bestrooid met knapperig spek en bieslook.
De Nederlandse zondagsstoof gegaard tot het rundvlees in fijne draadjes uiteenvalt — draadjesvlees, laag gesudderd met kruidnagel en laurier in zijn eigen donkere jus.
De schenkbare vanillevla die in elke Nederlandse koelkast staat — dun genoeg om te drinken, rijk genoeg als toetje, het dessert van duizend doordeweekse tafels.
De hoge, diepe Hollandse appeltaart — een boterige kaneelkorst volgepakt met gekruide appels, rozijnen en een deegrooster, gebakken in een springvorm en geserveerd in punten.
De legendarische Nederlandse lunch — een hete, knapperige rundvleeskroket geplet in een zacht wit bolletje met een streep mosterd. Krokant, smeltende ragout en koel brood.
De meest gegeten snack van Nederland — een gladde, velloze gehaktworst, donker gefrituurd, doormidden gesneden en beladen met mayo, curry en ui als frikandel speciaal.
Minangkabau-rundvlees urenlang gesmoord in kokosmelk en specerijen tot donker, droog en intens — een West-Sumatraans meesterwerk dat de Indisch-Nederlandse rijsttafel verankert.
Twee flinterdunne wafels heet geperst en aan elkaar geplakt met gesmolten karamelstroop — de Goudse markttraktatie, het lekkerst warm boven een kop koffie.
De heldere Nederlandse groentesoep — een goede runderbouillon met wortel, prei en selderij, met kleine gehaktballetjes en een handje dunne vermicelli.
Gouden brokjes gefrituurde witvis van de marktkraam — knapperig van buiten, dampend vanbinnen, geserveerd in een puntzak met knoflook-kruidensaus.
Pittige gefermenteerde kool gestampt door kruimige aardappel, de scherpste van de stamppotten — doorregen met gerookt spek en bekroond met rookworst.
De gebakken rijst die uit de Oost mee naar huis kwam en Nederlands werd — rijst van een dag oud gewokt met een gekruide bumbu, ketjap manis, kip en garnalen, bekroond met een gebakken ei.
Yoghurt of karnemelk een nacht in een doek gehangen tot zo dik als room, dan gezoet met suiker en kaneel — het oudste toetje van het Nederlandse zuivelland.
De zoetzure stoof van Limburg — rundvlees gemarineerd in azijn en dan gesudderd met appelstroop en ontbijtkoek tot de jus donker, glanzend en pittig wordt.
Het gesmolten hart van de snackbar — een plak Nederlandse kaas in knapperig paneermeel, gefrituurd tot hij opbolt en het midden tot rekbaar goud loopt.
Gemarineerde kip aan spiesjes gegrild boven vuur en overgoten met een warme pindasaus — de Indonesische saté die de ster werd van zowel de Nederlandse rijsttafel als de snackbar.
De Nederlandse tosti — ham en Gouda geperst tussen wit brood tot de kaas loopt en de korst goudbruin ribbelt. Cafégemak in tien minuten.
De kroon op de Nederlandse borrel — knapperig gepaneerde bolletjes van langzaam gegaarde rundvleesragout die stromen als je erin bijt, geserveerd met scherpe mosterd en koud bier.
De gefrituurde gistbollen waarmee de Nederlanders het jaar uitluiden — bezaaid met rozijnen en appel, gerold door poedersuiker, het lekkerst aan de bevroren gracht.
Het onbetwiste Nederlandse winterbord — aardappelen gestampt met boerenkool, een kuiltje jus en een krul rookworst dwars over de top.
De Nederlandse wintersoep zo dik dat de lepel rechtop blijft staan — groene spliterwten, gerookt varkensvlees, knolselderij en prei, afgemaakt met schijfjes rookworst op donker roggebrood.
Plakken jonge Goudse kaas in een krokant paneerjasje, gebakken tot ze vanbinnen gesmolten zijn — het simpelste, meest roekeloze genot van het Nederlandse kaasland.
De gebakken eiernoedels die uit de Oost mee naar huis kwamen — in de wok omgeschud met een gekruide boemboe, ketjap manis, kip en kool, en over de hele Nederlandse tafel geserveerd naast nasi.
Een zuinige Nederlandse bruinebonensoep — kastanjebruine bonen zacht gesmoord met gerookt spek, wortelgroenten en een lepel azijn om de rijkheid te snijden.
De donkere, zoetzure stoof van ui en rundvlees van de Nederlandse wintertafel — een kilo uien ingekookt met azijn, kruidnagel en laurier tot glanzend en diep.
De eerste jonge haring van het seizoen, mild gerijpt en licht gezouten — aan de staart naar achteren gekanteld met rauwe ui, de meest Nederlandse hap die er is.
De oudste Nederlandse stamppot — kruimige aardappelen, wortel en ui samen gestampt en verbonden met het Ontzet van Leiden in 1574, onder gesmoord rundvlees.
De knapperig omhulde Nederlandse kroket — een langzaam gegaarde rundvleesragout die stevig opstijft, gepaneerd en gefrituurd, uit een puntzak met mosterd of op een zacht broodje.
De kleine gegiste pannenkoekjes van de Nederlandse kermis — gepoft in een gedeukte plaat, gekeerd met een vork en bedolven onder boter en een sneeuwbui van poedersuiker.
De Nederlandse lunchroomklassieker — twee of drie gebakken eieren over ham en kaas op beboterd brood, randen krokant, dooiers lopend, klaar in minuten.